Verhalen uit Huize Hippocrates

Kerst

Op de balie van afdeling A7 staat een bakje met kerstkransjes.  Er heeft nog niemand van gegeten. A7 is immers de longafdeling en wie wil er met kerst nou naast de rochelende mijnheer Jansen met zijn dubbelzijdige pneumonie terecht komen? Als je je ergens in het ziekenhuis bewust bent van ziekte, rondzwervende bacteriën en ander viezigheid dan is het wel de eeuwig rochelende longafdeling.

Maar het staat zo gezellig. Net als de grote kerstboom bij de hoofdingang, de kerststol die de verpleging bij de koffie eet en het zangkoor dat op 24 december om 16.00uur liederen ter meerdere eer en glorie Gods ten gehore zal brengen. Eind van het jaar, tijd voor de eerste nieuwsoverzichten van 2011, tijd voor bezinning. Ik kijk naar buiten, zeven verdiepingen naar beneden,  naar de kerstboom met oerlelijke blauw-met-rode lichtjes.

Een jaar geleden rond deze tijd stond ik in een ander ziekenhuis. Andere afdeling, zelfde sfeer. Toen was ik nog niet op de helft van mijn coschappen, nu daar ruim overheen. Wat heb ik in een jaar gedaan?
Overdrachten, heel veel koffie, in de trein in slaap vallen, nachtdiensten, gestoorde patiënten, dito artsen, patiënten die dood gingen, patiënten die bleven leven, assisteren op OK, in slaap vallen op OK –goed, bijna dan- vingers in allerlei lichaamsholtes stoppen, eindeloze visites, infusen misprikken, urenlang naar een vagina kijken en er dan een kind uittrekken.

Zo op een rij klinkt het best als een interessant jaar. Dan vergeet ik voor het gemak even die veertien-urige verloskundedienst, waarin er niets, maar dan ook niets gebeurde, de arts-assistent aan haar promotie-onderzoek ging werken en ik veertien uur lang om de paar minuten op de refreshknop van nu.nl klikte.

In de tijd die ik tijdens mijn coschappen heb besteed aan wachten of, eufemistisch gezegd, zelfstudie, had ik minstens drie boeken kunnen schrijven. Achteraf gezien. In plaats daarvan heb ik uren doorgebracht met het staren naar de secondewijzer op een OK waar ik niets van de operatie kon zien dan een groen laken, ben ik getuige geweest van vijfentwintig cystoscopieën achterelkaar en een marathon van vijf uur lang transvaginale echo’s maken en heb ik lange, lange dagen meegekeken met de bekkenbodemfysiotherapeut, de spirometrie-expert en de inspannings-ECG-verpleegkundige, want ‘dan zie je dat ook eens’. 

“En? Weet je het al?” vraagt elke willekeurige patiënt, arts, of voorbijganger op straat me de laatste weken.
“Weet ik wat?” vraag ik onnozel.
“Wat je gaat dóen. Als je klaar bent!”
 “Eh,” zeg ik dan. “Nee.”

Afhankelijk van wie er voor je zit, haakt diegene af  -‘duidelijk niet genoeg interesse in mijn vakgebied, anders had ze dat wel geantwoord’- of begint juist een hyperenthousiast promotiepraatje voor zijn specialisme, meestal verzekeringsgeneeskunde of geriatrie.

De meeste patiënten zeggen gelukkig gewoon: ‘Oh en dan ben je straks dus huisarts’. Op mijn uitleg dat ik dan basisarts ben, dus in feite nog steeds ‘niets’ ben, kijken ze je meewarend aan. Fijn dat er idioten als jij op deze wereld bestaan die vijftien jaar studeren om vervolgens met hun vingers in andermans anus te zitten, zie je ze denken.

Ik weet het dus nog niet. Nee, nog steeds niet. Volgend jaar rond deze tijd sta ik hoogstwaarschijnlijk ook in een ziekenhuis naar de kerstbomen buiten te kijken. Maar welk ziekenhuis, en welke afdeling, dat blijft nog even de vraag.

Pas als ik de melkchocolade in mijn keel voel glijden, besef ik dat ik gedachteloos een kerstkransje in mijn mond gestopt heb. In elk geval is het nu wel duidelijk waar ik met kerst ben. In het bed naast dat van mijnheer Jansen.